
Vroeger, als Relja en zijn makkers speelden in het dorp, had Arlu een meisje op zijn schoot. Accordeon spelen kon hij niet, maar snelle vingerbewegingen maakte hij als de beste. Hij had jarenlang gewerkt als zakkenroller in Boekarest.
“Arlu, kom,” zei Relja op een maandagochtend in 1994. Arlu snurkte als een dronken tor en toen hij ontwaakte was Relja vertrokken. “Hij stapte op een trein die kant uit,” zei Relja’s moeder en ze wees richting lichtgroene velden, grijsblauwe heuvels en het verlossende buitenland.
Arlu vond hem in Shase, waar zijn muziek uit een kroegje fladderde. Daar kocht Arlu voor twee glazen ţuică een accordeon en begon over de knoppen van het instrument te ritselen. Nog altijd kijkt hij de kunst af bij zijn vriend, hoe goed hij inmiddels zelf ook speelt.
Deze onopzettelijke clowns hebben een verlaten podium gevonden. Nu maken zij Utrecht melancholisch. Arlu doet alsof zijn handen dode vogeltjes zijn die hij tot leven wekt. Als ik een circus had, nam ik ze in dienst. Maar hopelijk zijn ze op hun best in deze misère en worden ze nooit beroemd.
▶hoe vond je deze?

PoëzieCafé Achterberg zit stampvol lui van een carnavalsvereniging. Willem vindt zijn gasten dom: ze zuipen terwijl het buiten licht is en ze hossen op hun carnavalshits. De derde keer “De warme balletjes van de koningin” wordt hem te veel.
Twee uitgedoste gasten komen aanfietsen door de regen, ze horen de muziek en kijken zijn kant uit. Een draagt een tas van een snackbar. Willem wijst naar het verderop gelegen etablissement en ze steken hun hand op om hem te bedanken. Nu loopt hij naar de bar en grijpt de microfoon.
“Dames en heren, twee leden van uw vereniging zijn hier verderop naar binnen gegaan. Ze hebben daar een verrassing voor u, en het moet u niet verbazen als het iets te eten is. Dan gaan wij hier weer verder met echte poëzie.” Hij is zelf verbaasd over de uitwerking van zijn woorden. De zaak stroomt leeg en het laatste bestuurslid zegt nog: “Het is bizar, we hadden nou juist bij u afgesproken vanwege de poëzie.” Willem zegt niets. “Ze rijmen toch allemaal, onze carnavalskrakers?”
▶hoe vond je deze?

Bertus ontmoette zijn vriend Vick toen ze schuilden voor een hagelbui. Het was november 2005. De hagel was als een bombardement van stenen en de mensen die samen stonden onder de luifel van een audiowinkel voelden hun angst voor de elementen. Vick aaide Xavier, de hond van Bertus, die met zijn staart tussen de poten stond.
Vier jaar zijn Vick en Bertus nu vrienden. Voor Bertus is het alsof zijn leven is gaan bloeien na die ene bui. Vorige week, op Vicks verjaardag, zijn ze voor het eerst gaan zoenen en verscheen de liefde aan de hemel.
Vandaag zei Vick met zijn rustige stem: “Bertus, ik ga terug naar Engeland, ik moet nu echt voor mijn moeder gaan zorgen. Mijn spullen zijn opgeslagen en ik vlieg vanavond, want ik weet dat je me zou willen tegenhouden. Dadelijk loop ik naar het station, misschien heb je zin om mee te lopen, dan zwaai je me daar uit.”
Bertus kan door zijn tranen de weg niet meer zien. Ze hebben elkaar gekust en Vick is verder gelopen. Xavier kijkt hem na.
▶hoe vond je deze?